Woensdagavond nemen de
Rode Duivels het in het paradijselijke Kreta op tegen Griekenland. Aangezien het gaat om een oefeninterland komt er niet veel druk bij kijken. Weinig spelers liggen wakker van de partij en zien de trip eerder als een welverdiend snoepreisje na de vele matchen die ze de afgelopen weken moesten afwerken in clubverband. Guillaume Gillet is de eerste speler die zijn kat stuurt, hij wil namelijk -begrijpelijkerwijs- zijn vrouw bijstaan tijdens de nakende bevalling van hun kindje. De afzegging van Gillet zal de eerste zijn in een hele reeks, neem dat maar van ons aan. Daarom klinkt de vraag ‘wat is het nut nog van die oefeninterlands?’ steeds luider en luider.
Mannen die Gillet de komende dagen vermoedelijk zullen vervoegen in het lijstje met afwezigen zijn Dries Mertens (problemen met de enkel), Maarten Martens (hinder aan het bovenbeen) en Thomas Vermaelen (kreeg een stevige tik van Scott Parker in de derby Arsenal-Tottenham). We twijfelen niet aan de ernst van de blessures van deze spelers, laat dat duidelijk zijn. Maar wees er maar zeker van dat ze sneller en vooral intensiever klaargestoomd zouden worden om matchfit te raken, moesten er woensdag wedstrijden voor de Champions League of Europa League op het programma staan. Het is het goed recht van hun clubs om ze uit voorzorg thuis te laten voor een (weinig belangrijke) oefenwedstrijd. En denk maar niet dat we alleen in België met dit probleem geconfronteerd worden, van over de hele wereld regent het afzeggingen voor de interlands van woensdag.
Zo komen we bij de kern van de hele discussie: wat is het nut nog van dergelijke oefeninterlands? Vooral de timing ervan stoot dit keer tegen de borst. De spelers hebben er loodzware weken opzitten: competitievoetbal, diverse Europese wedstrijden en bekercompetities, noem maar op. Soms moesten er drie wedstrijden in één week afgewerkt worden, op termijn is dat onhoudbaar. Nu nog eens een midweekse oefeninterland programmeren is je reinste gekkenwerk. De overbelasting is enorm, je kan er dus donder op zeggen dat enkele blessures het seizoen van een speler (en zijn club) kunnen/zullen hypothekeren. Denken we maar terug aan Robin Van Persie, wiens enkel in 2009 kapot getrapt werd door Giorgio Chiellini in een oefeninterland tussen Nederland en Italië. Dergelijke voorvallen zijn een ramp voor de speler in kwestie en zijn club. Zijn club, die hem betaald op het einde van de maand, wat niet gezegd kan worden van zijn nationale ploeg.
Leren we dan niets bij door een oefenpot te spelen op Kreta? Meestal starten de bondscoaches met hun type-elftal aan zo’n wedstrijd, om dan doorheen de partij een zevental wissels door te voeren. Hoe kan je nu automatismen kweken (toch het doel van een oefenwedstrijd) als je de wedstrijd met een compleet ander elftal uitspeelt? Akkoord, je kan nieuwe jongens rustig laten wennen aan de omgeving en het hele gebeuren van voetbal op internationaal niveau, zonder dat er druk bij komt te kijken. Druk die er wel is bij kwalificatiewedstrijden. Het groepsniveau kan ook wat aangewakkerd worden bij dergelijke stages, en dat is ook nodig als je weet dat die jongens maar pakweg dertig dagen per jaar bijeen zijn. Nog een argument pro-oefeninterlands is het feit dat er vertrouwen getankt kan worden mits er een goed resultaat geboekt wordt.
Internationaal voetbal is natuurlijk te mooi om helemaal verloren te laten gaan. Daarom pleit ik voor een aanpassing van de kalender. Start het voetbalseizoen midden juli, met een korte winterbreak ingecalculeerd ben je dan tegen april rond (omdat het seizoen niet meer onderbroken wordt door interlands). Alle interlands dienen dan in mei en juni gespeeld te worden. Zo is het wel mogelijk om automatismen te kweken en een hechte groep te vormen. De spelers zullen goed uitgerust aan het nieuwe seizoen kunnen beginnen en de clubs moeten hun spelers niet meer afstaan middenin het seizoen. Een win-winsituatie voor alle partijen.
LEES OOK:
‘Van Bommel blaast De Bruyne-comeback zelf op’