Sven Vandenbroeck werd ontslagen bij Zulte Waregem na een pijnlijke breuk. De oefenmeester kreeg klappen en werd ook afgebrand door de situatie met Jelle Vossen, die uiteindelijk naar Beerschot trok.
Vandenbroeck werd de laan uitgestuurd en had even tijd nodig voor zichzelf, dat laat hij in een interview met Het Laatste Nieuws weten. De T1 lijkt nu echter weer klaar voor een nieuwe uitdaging.
LEES OOK: Vandenbroeck hangt vuile was Zulte Waregem én Vossen buiten
Belgische clubVandenbroeck werd afgelopen zomer genoemd bij OHL en La Louvière, maar uiteindelijk werden andere kandidaten gekozen. “Ik heb nadien clubs uit het buitenland afgewimpeld. Daar ben ik niet bang voor. Mensen in het voetbal kijken daar doorheen. Ik had ook wat zaken uit te klaren in mijn privéleven – ik zat in een scheiding – en dat is intussen gebeurd. Ik had tijd voor mezelf nodig.”
Vandenbroeck denkt wel dat hij bij een Belgische club terechtkan. “Omdat ik een structuur op poten kan zetten op korte én op lange termijn. Ik kan een meerwaarde creëren op spelers en ik kan me aanpassen aan de kwaliteiten van een spelersgroep. Ik heb een eigen identiteit als trainer – ik heb graag de bal, wil verticaal spelen en ik ben offensief. Bovendien kan ik goed omgaan met verschillende culturen.”
Of verrassing?
Vandenbroeck zal echter niet twijfelen als er een aanbieding vanuit Afrika komt. In het verleden stond hij aan het roer bij Marokkaanse topclubs Wydad Casablanca. “Dan ga ik terug. Mensen hebben een verkeerd beeld van Afrika. Ja, het voetbal is er nog wat minder. Neen, de faciliteiten zijn er niet zo goed en ja, de velden zijn slecht. Maar de kwaliteit is er wél. Clubs hebben er een grote ambitie en drive om ergens te geraken.”
Ook bij FAR Rabat deed Vandenbroeck veel ervaring op. “En ik kan zeggen dat landen als Marokko erg ver staan en wel over goede infrastructuur beschikken. Van negativiteit is er minder sprake. Vergelijk dat eens met België of Europa. Wij zijn veel te verwend als cultuur. Te negatief ook. In de politiek, sport en in andere zaken.”
Stephan Calander